woensdag 16 november 2011

Toelichting bij de liederen(4)

Koraal: Wat moeten wij verdragen…
‘Laten we naar de Olijfberg gaan,’ zei Jezus met verstikte stem. ‘In het donker, tussen de bomen kunnen ze ons niet gemakkelijk vinden en ik wil nog zo graag met jullie praten. Misschien is het wel de laatste keer. Wat moet er van ons worden? Als ze een herder doodslaan, vlucht de kudde alle kanten op. Als ze mij grijpen, zijn jullie nergens meer te bekennen.’
‘Hoe komt u dar nu bij?’ fluisterde Petrus verontwaardigd. ‘Het idee. Al zouden ze u allemaal in de steek laten, ik nooit!’
Jezus keek hem bedroefd aan. ‘Zo waar als ik hier sta, Petrus, vóór het morgen is, vóór de haan heeft gekraaid, zul jij drie maal ontkennen dat je bij mij hoort.’
‘Heer, al moest ik met u sterven,’ antwoordde Petrus schor, ‘zoiets zou ik nooit doen.’
‘Petrus heeft groot gelijk,’ zeiden de andere leerlingen. ‘Wij zouden ook nooit ontkennen dat we bij u horen. Natuurlijk niet!’




Jezus in Getsemané
‘We gaan naar de plek waar de oliepers staat.’ Zei Jezus, ‘naar Getsemané.’

Toen ze er waren, zei Jezus: ‘ik heb er behoefte aan om rust te hebben. Ik wil bidden. Blijven jullie maar hier. Petrus, Johannes en Jakobus gaan met mij mee.’

Even verderop zei Jezus tegen zijn drie goede vrienden: ‘ik ben verdrietig en zo bang. Blijven jullie bij me, blijven jullie wakker?’

Hij deed een paar stappen. Verder kwam hij niet. Hij liet zich voorover vallen en snikte: ‘God, is er geen uitweg? Is het uw wil dat ze mij grijpen en doodmaken? U bent mijn Vader, en ik doe wat U wilt, maar ik ben zo bang.’

Toen hij uitgebeden was, kwam hij bij zijn drie vrienden terug. Ze waren in slaap gevallen. Jezus schudde hen wakker. ‘Konden jullie echt niet even wakker blijven, één uurtje maar?’
Hij ging weer terug en bad opnieuw. Hij zei weer dezelfde woorden: ‘Vader, ik zal uw wil doen, maar ik ben zo bang.’

Hij zocht zijn vrienden op. Daar lagen ze, weer sliepen ze.
Jezus zei: ‘wat mij betreft mogen jullie blijven slapen, maar je kunt beter opstaan. Het is mijn tijd. Ze komen eraan om mij te halen. De man die me verraadt, is vlakbij.’

‘Wie is het eigenlijk, de man die we moeten hebben?’ vroeg de commandant aan Judas. ‘In het donker zijn alle katten zwart en ik heb geen idee hoe hij eruit ziet.’
‘Laat dat maar aan mij over,’ antwoordde Judas. ‘Het is de man die ik een kus geef. Hem moet je hebben. Die kus is bij de prijs van dertig zilverstukken inbegrepen.’
‘Gesnapt!’ zei de commandant, ‘dat kan niet missen.’

Zodra ze bij Getsemané kwamen, stapte Judas uit de groep soldaten naar voren. Hij liep op Jezus af, sloeg zijn armen om hem heen en zei: ‘Dag rabbi.’
‘Vriend,’ zei Jezus. ‘Jij hier?’



Geen opmerkingen:

Een reactie posten