maandag 26 december 2011
Toelichting bij de liederen(5)
Het omgekeerde zwaard
Meteen grepen de soldaten Jezus vast. Iemand uit het groepje leerlingen van Jezus stormde naar voren en maaide met het zwaard in het rond. Het knechtje van de hogepriester dook net te laat weg. Zijn oor werd eraf geslagen. ‘Berg je zwaard maar op’, zei Jezus. ‘Dit is zinloos. Ik vraag toch God ook niet of hij een leger engelen stuurt om me te beschermen? Zoals het nu gaat is het goed.’ En tegen het leger van mensen om zich heen: ‘Wel een vreemde plek om me gevangen te nemen. ‘Jullie zijn hier gekomen, zwaarbewapend, alsof ik een rover ben. Je had me zo in de tempel kunnen arresteren. Daar zat ik elke dag.’
De leerlingen deden allemaal zo onopvallend mogelijk een stapje terug en verdwenen toen razendsnel tussen de bomen.
Koraal: O Heer, U wordt gegrepen
Niemand zei meer een woord. Jezus werd meegenomen. Petrus volgde op afstand en zag dat Jezus naar het huis van Kajafas, de hogepriester werd gebracht. Daar hielden ze een soort rechtszaak. De ene leugen na de andere werd over Jezus verteld.
Maar Kajafas riep: ‘We moeten bij de Romeinen wel goed beslagen ten ijs komen, anders zijn we nog niet van hem af.’
Eindelijk, na veel geschreeuw over en weer, stond Kajafas op. Iedereen werd eerbiedig stil. Dit werd een plechtig moment. ‘Je houdt je mond, nietwaar?’ vroeg Kajafas aan Jezus. ‘Maar er wordt hier nogal wat tegen je ingebracht.’ Hij stak zijn hand omhoog en zei: Ík zweer hier bij de levende God, zeg op: zijn dit jouw titels: ‘de Christus’, ‘de Gezalfde’ of ‘Zoon van God?’
Petrus kromp in elkaar. Hij herkende de woorden. Dat waren precies de woorden die hij zelf tegen Jezus had gezegd, toen die vroeg war hij van jezus dacht: ‘U bent voor mij de Christus, u hoort bij God.’ Hij hield zijn adem in en wachtte af of Jezus antwoord gaf. Die zei: ‘Dat hebt u zo zelf gezegd.’
Wie heeft hem geslagen?
‘Meneer is de belangrijkste getuige tegen zichzelf,’ zei de hogepriester spottend. ‘Hij zegt zelf godslasterlijke woorden. Wat denken jullie ervan?. ‘Schuldig,’ riepen ze allemaal. ‘Hij is schuldig, hij verdient de doodstraf.’ Ze spuugden en sloegen hem in z’n gezicht en riepen: ‘Christus, profeet die je bent, zeg eens op, wie heeft je geslagen?’ Petrus kromp in elkaar. Het was of hijzelf de hardste klap gegeven had.
Al die tijd had Petrus buiten in de tuin gezeten. Niemand had hem herkend, tot er plotseling een slavin voor hem kwam staan. ‘Jij was ook bij die Jezus uit Galilea.’ Petrus schrok zich dood. Hij riep: ‘Ik, hoe kom je erbij, mens. Ik weet niet waarover je het hebt.’
Hij stond op en probeerde ongezien weg te komen. Maar in het portaal hoorde hij twee mensen tegen elkaar zeggen: ‘Die man daar, die was bij die Jezus uit Nazaret.’
Petrus kreeg het benauwd. Hij was herkend en riep: ‘Ik ken die man niet eens.’ Maar even later kwamen er een paar mensen naar hem toe, die zeiden: ‘Zo aan je dialect te horen kom je uit het noorden, jij hoort vast en zeker bij die club van Jezus.’ ‘God betere het,’ riep Petrus, ‘hij mag me halen als het waar is, maar ik ken die man helemaal niet…’
Toen werd hij stil. Buiten kraaide een haan. Opeens moest hij denken aan wat Jezus een paar uur geleden tegen hem gezegd had: ‘Zo waar als ik hier sta, Petrus, vóór de haan heeft gekraaid, zul je drie maal ontkennen dat je bij mij hoort.’
Hij liep zo snel hij kon naar buiten en barstte in snikken uit.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)



Geen opmerkingen:
Een reactie posten